|
|
vonden wij altijd heel gaaf. Ik heb
alles in me opgeslurpt. Toen ik een jaar of tien was ben ik
trompet gaan spelen. Mijn broer was pianist en samen speelden we
al heel gauw op feestjes, bruiloften, dat soort dingen. Dat was
natuurlijk hartstikke stoer, we waren dertien, veertien jaar en
verdienden wel honderd gulden per persoon op een avond! We
speelden allerlei genres door elkaar, tot aan de polonaise toe,
en alles uit het hoofd. We zetten thuis gewoon een plaat op en
speelden dat dan na. Daardoor ontwikkelden we hele goeie oren,
het ging ook steeds sneller. En we gingen ook al jong aan het
improviseren, tijdens die feestjes, ter opvulling. Stel je voor:
achtergrondmuziek op een trompet. Achteraf denk ik: hoe heb-ben
de mensen elkaar kunnen verstaan?’
En je schrijfdrang?
‘Die heeft er altijd gezeten. Dat creatieve was het ultieme voor
mij. Als je heel jong bent dan meen je zelf nieuwe harmonieën te
ontdekken. Dan kom je bij een septiemakkoord uit en denkt
‘wauw’. Dat is een mooi soort be-wustwording. Op een gegeven
moment had ik ook een hele goeie theorie-leraar, Simon Pluister.
Hij stimuleerde ons ontzettend om muziek te schrijven. ‘Schrijf
maar op wat je wilt, maak niet uit wat, als je maar iets maakt.’
Zijn lessen hebben een enorme basis gelegd. Na mijn vwo ben ik
schoolmuziek gaan studeren in Zwolle. Daar kreeg ik ook zangles
en als extra bijvak heb ik viool gekozen. De opleiding
schoolmuziek vond ik ontzettend slecht – we hebben het over
drieëndertig jaar geleden hoor – en na een jaar ben ik
overgestapt naar hoofdvak zang. Nog twee jaar later heb ik van
viool ook een hoofdvak gemaakt.’
Klinkt allemaal veelbelovend.
‘Dat viel wel mee. Eerlijk gezegd vond ik ook mijn zangopleiding
niet zo best. Ik moest alsmaar met een ‘open grote keel’ zingen
waardoor ik een over-dreven klassiek geluid kreeg. Het werd
eerder slechter dan beter. Ik was dan ook best een beetje
pessimistisch over hoe het allemaal zou lopen. Maar ik heb
mazzel gehad. Na de conservatoriumtijd volgde ik een paar lessen
bij Hein Meens, destijds dé tenor van Nederland, en die zei: ‘Je
moet gaan auditeren bij het Nederlands Kamerkoor, die zoeken
tenoren’. Dat deed ik, en tot mijn verbazing werd ik
aangenomen.’ Dan kon je toch wel iets. ‘Nou, ik kon bijvoorbeeld
goed van blad lezen. Dat is belangrijk in zo’n koor, want je
moet toch twintig programma’s per jaar instuderen. En ik heb
veel kunnen arrangeren en componeren voor het Kamerkoor, zoals
mijn bewer-king van Nederlandse Volksliedjes. Maar mijn slechte
zangles heeft zich wel gewroken. Na twaalf jaar kreeg ik zoveel
last van mijn stem dat ik moest stoppen. Dat was heel dramatisch
voor mij.’
En toen?
‘Eigenlijk wist ik niet precies wat ik wilde doen, ik was erg
onzeker gewor-den door dat gedoe met mijn stem. Ik durfde ook
niet als dirigent de koor-wereld in te stappen, omdat ik vond
dat een dirigent gewoon alles moest kunnen voorzingen.’ Hoe heb
je die schroom overwonnen? ‘Dat heb ik aan Tijs (Krammer, red.)
te danken. Die vroeg me of ik Be Sharp van hem wilde overnemen.
Ik dacht ‘kan ik dat wel?’ maar hij zei: ‘kom op zeg, je bent
gewoon ontzettend goed’. Het leiden van een groep vond ik toch
wel lekker en ik ging meteen repertoire voor ze maken. Hun
manier van zingen was heel licht, dus ze hadden ook veel invloed
op mij. Dat was echt wel een wisselwerking.’ Dus toen kwam je
thuis? ‘Ja, zonder meer. Bij de vocal groups voelde ik me meteen
helemaal op mijn plaats, meer dan waar dan ook. Ik kon creatief
bezig zijn en ook met mensen werken, dat vond ik heel
inspirerend. Bovendien vond ik zo mijn eigen natuurstem weer
terug.’
Als componist; hoe ga je te werk?
Als ik componeer dan lees ik eerst de tekst heel goed. Wat is de
expressie, waar liggen de woordaccenten, hoe lopen de melodische
lijnen van het gesproken woord? Vanuit het spreken kun je al de
basis leggen voor de melodie. Met het ritme en de maatsoort kun
je dan nog veel kanten uit. Je hebt bijvoorbeeld tweedelige en
driedelige versvoeten, maar tweedelig betekent niet automatisch
dat het een twee- of vierkwartsmaat wordt. Dat kan ook een
drie-achtsten of zes-achtsten maat zijn. Daar kun je dus veel
kanten mee uit. Het is ook wel een beetje een onbewust proces.’
Je vraagt voor componeren dezelfde
vergoeding als voor arrangeren. Waarom?
‘Componeren kost in het begin meer tijd dan arrangeren, omdat je
een eigen melodie moet bedenken, en een vorm, harmonieën. Maar
de uitwerking is weer veel makkelijker, je hoeft je ten slotte
niet aan een origineel te houden. Dat gaat bij mij ook altijd
erg snel. Met arrangeren is de melodie al aanwezig, plus een
groot gedeelte van hoe het verder moet. Maar dat moet je dan wel
gaan uitzoeken. Uiteindelijk maakt het dus niet veel uit qua
tijd en moeite. Meestal ben ik met één compositie of arrangement
een dag bezig.’
Wat is de Jetse-stijl?
Het hangt ervan af of ik iets moet schrijven voor een klassiek
koor of een lichte-muziekkoor, of iets ertussenin. Ik kan
moeilijk voor klassieke koren heel poppy gaan componeren. Maar
in mijn composities voor klassieke groepen zit toch vaak iets
lichts en in mijn stukken voor vocale groepen haal ik vaak
klassieke geintjes uit. Dus het is niet helemaal gescheiden, dat
is misschien dan een beetje Jetse’. Van welke opdracht word je
blij? ‘Van componeren voor een koor, en dan het liefst
avondvullende producties. Dat vind ik het meest uitdagend en ook
het leukst om te doen. Ik zoek in die producties altijd
verschillende stijlen op, om veel contrast te creëren. Met name
bij a-capella producties heb je snel het probleem dat alles één
kleur wordt. Als je dan ook nog eens in dezelfde stijl schrijft
wordt het snel saai. Die mengeling van veel stijlen hoort wel
een beetje bij mij.’
Zingen je koren ook wel andermans arrangementen?
‘Nee, nooit. Als een koor een nieuw arrangement wil
dan komen we bij el-kaar, beluisteren allerlei nummers en met
een soort referendum kiezen zij dan de nummers uit. Dan heb ik
nog wel een soort veto als ik iets echt niet geschikt voor de
groep vind, maar ik bepaal het niet. Over het algemeen komen
daar hele leuke en originele nummers uit. Zo is het altijd
gegaan. En zo houd ik mezelf ook bezig. Het is voor mij
makkelijker een nieuw arrange-ment te maken dan op zoek te gaan
naar bestaande arrangementen. Mis-schien is dat wel een zwak
punt. Ik weet eigenlijk niets van andere arran-geurs. Maar ik
denk dat de kwaliteit van mijn groepen veel te maken heeft met
het feit dat ik precies weet wat ze kunnen. Ik ga echt geen
gekke dingen schrijven die boven het niveau liggen van de
individuele zangers. Daar houd je bij het beluisteren alleen
maar kromme tenen aan over.’
Amerikaans
Je bent ‘chef-arrangeur’ bij het SBS6-programma The Sing-off,
een afval-wedstrijd voor a-capella zanggroepen. Wat vind je van
het concept? ‘Het is eigenlijk een Amerikaans concept. In
Amerika is het een enorm succes geweest. Ik ben blij met een
programma als dit. In het begin had ik er wel moeite mee dat
SBS6 alleen maar jonge mensen op televisie wilde en dus ook
goede Nederlandse groepen afwees wegens hun leeftijd. Maar het
grote voordeel ervan is dat het hopelijk toch een nieuw soort
beweging teweegbrengt bij middelbare scholieren. Dat die denken
‘hé, dat kan ik ook’.’ De missing link tussen X-factor en
Korenslag? ‘Inderdaad. Korenslag is echt voor koren, daar kijken
de jongeren niet naar. Die vinden dat zo suf, van die ouwe blije
mensen op tv. Hopelijk werkt dit wel en is er met The Sing-off
een nieuwe uitdaging ontstaan voor jonge zangers.’
Toekomst
‘Ik ben van plan een studentenkoor op te richten in Almere.
Almere is een enorm grote stad aan het worden met steeds meer
studierichtingen. Vroe-ger vond ik jonge mensen een beetje eng,
onberekenbaar en zo, maar daar heb ik geen last meer van. Ik heb
er wel zin in. Jonge mensen imiteren graag de huidige
popartiesten en zingen hierdoor vaak meteen vrij goed. Hun
zingen verschilt alweer enorm van de iets oudere generatie.’ En
verder, blijf je doen wat je doet? ‘Ja, zonder meer. Ik hoef
eigenlijk niks te doen, het komt allemaal op me af. Ik denk
trouwens dat dat voor de meeste mensen geldt. Sommigen doen
alsof ze altijd hebben geweten wat ze zouden gaan doen, maar de
meeste mensen gaan toch via allerlei kronkelweggetjes. Op een
gegeven moment kom je ergens uit. En de een is dan heel gelukkig
en de ander helemaal niet. Ik ben me in ieder geval niet zo
bewust van dat soort dingen. Ik ben blij dat ik kan leven van
iets dat ik leuk en uitdagend vind. En ik hoop ermee door te
gaan tot ik erbij neerval.’
Uit: Zing Magazine 38, mei/juni 2011 |
|